Tuba Romana
De ontdekking van een Romeins muziekinstrument in Harelbeke
Het archeologisch onderzoek in Harelbeke verliep de afgelopen jaren met stijgende verwachtingen. Al sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw leverden opgravingen objecten op die onmiskenbaar wezen op een rijke geschiedenis en een belangrijke bewoningskern met heiligdom uit de Romeinse periode. Een grootschalige opgraving in 2019 aan de Kollegelaan overtrof deze verwachtingen.1 Onder de aangetroffen sporen bevonden zich niet minder dan 18 waterputten en 43 gebouwstructuren, waarvan vijf als hoofdgebouw konden worden geïdentificeerd. De waterputten bevatten een uitzonderlijke rijkdom aan vondstmateriaal, variërend van munten en werktuigen – waaronder een puthaak en een bijl – tot een gouden ring en fibulae. Bovendien leverde de opgraving een absolute primeur voor Vlaanderen op: een bronzen tuba.
De vondst van een bronzen muziekinstrument uit de Romeinse periode is in onze streken bijzonder opmerkelijk. Dergelijke objecten maakten geen deel uit van de alledaagse materiële cultuur van circa 2000 jaar geleden. Bij archeologische opgravingen worden doorgaans talrijke dagelijkse voorwerpen aangetroffen zoals aardewerk, metalen of houten artefacten, sieraden van (edel)metaal of glas en dierlijke of plantaardige resten. Deze objecten verkeerden destijds binnen ieders bereik. Nadat ze hun oorspronkelijke functie verloren hadden kwamen ze in de bodem terecht. Metalen muziekinstrumenten daarentegen vervulden, zoals ook nu, een rol in bijzondere gebeurtenissen of publieke activiteiten. Door hun productiekosten en specifieke technische vereisten werden zij gekoesterd en vaak over generaties heen doorgegeven. Vondsten van dergelijke muziekinstrumenten binnen archeologische contexten zijn daarom uitzonderlijk. De ontdekking van de Harelbeekse tuba-fragmenten ging tijdens de opgraving opvallend onopgemerkt voorbij. In het eindverslag werden de stukken bovendien geïnterpreteerd als de beker en het mondstuk van een cornu, een gebogen Romeinse trompet. Deze bevinding vond uitvoerig navolging in een uitgebreid artikel uit 2024. Men veronderstelde tevens dat het om een ingekorte versie ging, waarbij de gebogen buis was verwijderd. De fragmenten werden bij een reconstructie helaas incorrect aan elkaar bevestigd.
Bezoek van de Franse specialisten aan Trezoor op 9 april 2025. (© Stad Kortrijk en Johan Deschieter)
Omdat beide auteurs grondige bedenkingen hadden bij de interpretatie en reconstructie van de fragmenten werd een beroep gedaan op de expertise van een aantal vakspecialisten. Op 9 april 2025 bezocht een Franse delegatie, bestaande uit professor Christophe Vendries4, archeometallurgist Benoît Mille en archeoloog Patrice Herbin, het erfgoeddepot Trezoor in Heule (Kortrijk) om de bronzen trompetonderdelen te bestuderen. De uitwisseling van informatie van de auteurs met deze Franse experts leverde verrassende inzichten op over de technische samenstelling en de interpretatie van het object. Er kon eenduidig vastgesteld worden dat het hier ging om afzonderlijke stukken van een lang, recht blaasinstrument: een Romeinse tuba.
HISTORISCHE CONTEXT
Om de vondst van de tuba in perspectief te plaatsen, lijkt een kort chronologisch overzicht hier behulpzaam. De Kollegelaan en de Collegewijk vormen belangrijke componenten binnen het bredere geheel van de Gallo-Romeinse nederzetting van Harelbeke. Het grondgebied van het huidige België, en meer specifiek Vlaanderen, was in de Romeinse tijd opgedeeld in meerdere civitates of bestuurszones die onder de provincie Gallia Belgica vielen. De nederzetting in Harelbeke bevond zich op het grondgebied van de civitas Menapiorum.
Het huidige België op een kaart van Romeinse regio’s in de 1e tot 3e eeuw n.C. (Bron: Apis - CRAN - Université catholique de Louvain)
Over het algemeen kan de Romeinse periode in onze contreien opgedeeld worden in twee periodes: het Hoge Keizerrijk en het Late Keizerrijk. De breuklijn tussen beide wordt bepaald door de ingrijpende gebeurtenis van Germaanse invallen in de 3e eeuw n.C., die vrij prominent hun sporen nalieten in heel Noord-Gallië. Het Hoge Keizerrijk kan echter nog fijner worden afgebakend op basis van enkele politieke, militaire, economische en ecologische factoren.
Na de verovering van onze gewesten door Caesar (tussen 57 en 51 v.C.) is initieel weinig verandering merkbaar in de maatschappelijke organisatie van de inheemse bevolking. De bewoning in enkele strategisch gelegen nederzettingen, zoals Kortrijk en Wervik, komt pas tot ontwikkeling tijdens de voor-Flavische tijd (27 v. C. – 68 n. C.), gestimuleerd door de uitbouw van een wegeninfrastructuur. Deze ontluikende dorpen profiteren van de verbeterde communicatie en mobiliteit en vervullen een essentiële economische en administratieve functie binnen onze geromaniseerde streken. Vooral vanaf de Flavische tijd (69 – 96 n. C.) wordt de Romeinse invloed duidelijker zichtbaar door de wijdverspreide import van luxegoederen (o.a. terra sigillata, glas,…) en vanaf dan breekt het proces van romanisering met een veranderde nederzettingsdynamiek ook door in de hele regio. Tijdens de late eerste eeuw evolueert de samenleving geleidelijk van een traditionele, lokale levenstijl naar een Romeins-economische organisatie met bijbehorende sociaal-culturele praktijken, die echter nog steeds met inheemse gebruiken vermengd blijven.
In de daaropvolgende tweede en vroege derde eeuw is de samenleving vooral gekenmerkt door algemene bloei en welvaart. Deze welstand blijkt vooral uit materiële cultuur en bewoningscontinuïteit, zoals duidelijk zichtbaar op de site van Harelbeke en op heel wat andere archeologische locaties in de Zuid-West-Vlaamse regio. Gezien de lange duur van deze periode is een verdere onderverdeling op basis van maatschappelijke, politieke en militaire factoren mogelijk. De voornaamste factoren hiervoor zijn de invallen van de Germaanse Chaucen tussen 172 en 174 n.C. en een pestepidemie meegebracht door Romeinse troepen die terugkeerden van oorlogen tegen de Parthen aan de oostelijke grens van het Rijk. Onder andere het handelsnetwerk onderging hierdoor enkele wijzigingen waarbij economische goederen en luxewaar niet langer of veel minder werden geïmporteerd.
Onder invloed van de frequenter wordende Germaanse invallen langs de noordelijke grens van de provincie begint vanaf het midden van de derde eeuw n.C. een langzaam verval zich te vertonen. Voor veel sites betekenen deze invallen en de economische teruggang zelfs het definitieve einde en volledige opgave.8 Enkel de vicus van Kortrijk (Cortoriacum) lijkt verdere bewoning aangetrokken te hebben en in Harelbeke duiken er palissades op, die lijken te wijzen op defensieve maatregelen.
De bevolking trok zich grotendeels terug uit het platteland en concentreerde zich in stedelijke agglomeraties. Onder keizer Diocletianus (284-305 n. C.) vond een fundamentele hervormingsfase in het Romeinse Rijk plaats: het civiele en het militaire apparaat werden institutioneel van elkaar gescheiden en tegelijkertijd uitgebreid in omvang en bevoegdheden. Parallel hieraan gebeurde een ingrijpende herstructurering van de provinciale geografie met het oog op een efficiëntere bestuurbaarheid en de controle over de territoria. Zo werd het bestuurscentrum van de Civitas Menapiorum verplaatst van Castellum Menapiorum (tegenwoordig Cassel in Noord-Frankrijk) naar Turnacum (het huidige Doornik). Dit grondgebied kreeg tegelijkertijd de nieuwe benaming Civitas Turnacensium, verwijzend naar Turnacum als haar hoofdstad. Deze ingreep werd ingegeven door de gunstige ligging van Turnacum aan de Schelde en zijn ontstaan als economisch en bestuurlijk knooppunt. Harelbeke viel na de hervormingen dus onder het bestuursniveau van de Civitas Turnacensium. De Romeinse civitas-indeling weerspiegelde zich later ook in de middeleeuwse bisdommen, waar de kerkelijke structuur doorgaans aansloot bij de vroegere bestuurlijke indeling.
ROMEINS HARELBEKE
De nederzetting in Harelbeke, waarvan de oorspronkelijke Romeinse naam tot op heden nog niet gekend is, ontstond in functie van een heiligdom. Daarvan werden resten teruggevonden ter hoogte van het huidige KSA-plein. Waarschijnlijk ging de bedrijvigheid van het heiligdom gepaard met de ontwikkeling van commerciële en ambachtelijke activiteiten die zich later tot een permanente en georganiseerde nederzetting ontplooiden. Of Harelbeke de status van vicus genoot, kan niet met zekerheid gezegd worden aangezien er over de oorsprong en evolutie van deze centra in onze gebieden nog vrij weinig geweten is. Enkel Wervik en Kortrijk hadden dit statuut door de overlevering van de antieke namen Viroviacum en Cortoriacum, maar Harelbeke wordt ook als kanshebber beschouwd.9 Door het grote aantal en heel rijke vondsten aan de Kollegelaan lijkt de kans dat er sprake was van een centrale plaats wel erg reëel. Het contrast in materiële cultuurpatronen tussen dorpen of centrale plaatsen en de kleine boerennederzettingen in de directe omgeving is vaak opmerkelijk te noemen.
Tijdens infrastructuurwerken voor de aanleg van de Collegewijk tussen 1967 en 1972 kwamen al aanwijzingen voor het bestaan van een heiligdom aan het licht. De ontdekking van een aanzienlijke hoeveelheid terracottabeeldjes en andere offergaven duidde op de aanwezigheid van een cultusplaats verbonden met een uitgestrekte nederzetting. De precaire vondstomstandigheden ter plaatse maakten het echter onmogelijk om het bestaan van een tempel te bevestigen. Onder het materiaal bevonden zich meer dan 200 fragmenten van terracottabeeldjes, 148 kleine aardewerken bekers, 24 stukken glaswerk, een tiental bronzen spiegeltjes, enkele fibulae en munten, vijf gepolijste bijlen en één bronzen vlakbijl. De objecten maakten ooit wellicht deel uit van een offerkuil of favissa. Met 92 fragmenten is de godin Venus de best vertegenwoordigde figuur binnen dit vondstencomplex. Bij gebrek aan epigrafische indicaties (inscripties, graffiti…) is het vooralsnog onduidelijk welke god of goden in deze nederzetting werden vereerd. Vermoedelijk speelde de cultus van een vruchtbaarheidsgodin een centrale rol in samenhang met andere godheden.
De recente vondsten bij Harelbeke Kollegelaan in 2019 zijn met zekerheid te linken aan de Romeinse nederzetting in hoge bloei. De dateringen van de waterputten en de algemene materiële cultuur wijzen op een continue bewoning vanaf de Flavische periode tot in de volle derde eeuw (ca. 90 tot 250 n.C.).
DE KOLLEGELAAN
Context van de opgraving
De opgraving aan de Kollegelaan werd uitgevoerd van 22 februari tot en met 2 april 2019 en dan opnieuw van 9 tot en met 18 september van dat jaar. De aanleiding voor de opgraving was de volledige verkaveling van het terrein voor een nieuwe woonwijk. Het onderzoeksgebied bevond zich aan de Kollegelaan in Harelbeke, te situeren in het zuidwestelijke gedeelte van de bebouwde kom van de stad. De totaal onderzochte oppervlakte bedroeg ongeveer 9541 m² en de resultaten van de opgraving zijn heel indrukwekkend. Daardoor kan Harelbeke-Kollegelaan als een kernsite voor de studie van Romeins Harelbeke beschouwd worden. Hoewel het terrein werd ingenomen door de schoolgebouwen van het Sint-Amandscollege bleek de aanbouw en de sloop van de muurresten een geringe impact gehad te hebben op het bodemarchief.
Een overzicht van enkele bijzondere vondsten te Harelbeke Kollegelaan. (Bron: R. G. Van Mousch e.a., Hoorngeschal op een driesprong van wegen)
De opgraving resulteerde in 2921 geadministreerde sporen, wat zelfs voor een grote oppervlakte hoog in aantal is.11 Een kleine nuance is wel op zijn plaats: aangezien sommige sporen kregen een dubbel nummer en bij de verwerking van de opgraving kwamen ook enkele sporen te vervallen. De grote meerderheid kon gedateerd worden in de Romeinse periode, geheel binnen de verwachtingen. In situ zijn geen concrete aanwijzingen voor oudere perioden vastgesteld. Bepaalde vuursteenvondsten duiden echter wel op menselijke activiteit in het mesolithicum, neolithicum of vroege bronstijd. Ook in jongere perioden (middeleeuwen tot nieuwe tijd) lijkt het plangebied minder tot niet meer in gebruik geweest te zijn. De Romeinse sporen kunnen gegroepeerd worden in enkele categorieën die geassocieerd worden met een drukke bewoningskern. De opdeling is niet exhaustief en benadrukt voornamelijk de Romeinse woonkernen.
Infrastructuur: Dit gaat voornamelijk over greppels en palenrijen die de grenzen van de woonerven bepaalden en karrensporen die aanduidden waar de (hoofd)wegen van de nederzetting zich bevonden. Dergelijke sporen maken het ook mogelijk om de woonerven zowel ruimtelijk als chronologisch in te delen.
Gebouwen: Sporen van gebouwen bestaan hoofdzakelijk uit paalkuilen die bepalen waar de funderingen van de huizen zich bevonden. Gebouwen variëren in typologie van hoofdgebouwen tot kleinere bijgebouwen voor o.a. de opslag van graan.
Watervoorziening: Een essentieel onderdeel van een Romeinse bewoningskern is de aanwezigheid van water. Er werden 18 waterputten geregistreerd waarvan 11 met houten bekisting van vlechtwerk of planken, enkele minder uitgebouwde waterkuilen en drenkpoelen voor vee.
Bij het opgraven en registreren van deze laatste categorie, met name in de waterputten, verschenen veel spectaculaire vondsten. Wanneer een waterput buiten gebruik raakte, hergebruikten de bewoners van de site deze vaak als secundaire afvalkuil of als plaats voor depositie. 11 houten planken van de bekisting bleken geschikt voor dendrochronologisch onderzoek. Hierdoor was er een unieke kans om elke waterput te dateren.
De meest opmerkelijke vondsten zijn onder andere een bronzen ketel, een intaglio (ringsteen) met een voorstelling van de godin Roma13, meerdere goed bewaarde lederen schoenen, een gouden ring, terra sigillata, een volledig intacte bijl, en tenslotte ook de tuba, die in dezelfde waterput (nummer 515) als de bronzen ketel werd gevonden.
Waterput 515
Enkele foto’s van Waterput 515. (Bron: R. G. Van Mousch e.a., Hoorngeschal op een driesprong van wegen)
De waterput met de tuba was gesitueerd in het oostelijk deel van het plangebied in een cluster van drie waterputten waarbij 515 zich op enige afstand van de andere twee bevond. Voor de aanleg van de waterput werd een heel brede en diepe kuil gegraven, wat noodzakelijk was gezien de grote diepte. De bodem van de waterput bevond zich namelijk op ca. 5 m onder het loopvlak. Naast de constructieput werd ook een paalkuil geregistreerd die aan geen andere structuur gelinkt kan worden. Daarbij wordt geopperd dat het om de aanlegkuil van een soort hefboomconstructie kan gaan.
De bekisting van de waterput was van hoge kwaliteit en vervaardigd uit eikenhout van stammen met een doorsnede van 70-100 cm. De smalle jaarringen wezen op de herkomst van een boom in zogenaamde oldgrowth bossen of successiebossen. Daarbij gebeurt er een natuurlijke verjonging en groeien jonge bomen door licht- en ruimtegebrek met zeer hoge en rechte stammen richting het licht. Dergelijke jonge bomen laten zich gemakkelijk klieven en bewerken en leveren planken van hoge kwaliteit. De dikte van de planken in waterput 515 varieert tussen de 3 en 8 cm. Sporen van herbruik op de planken ontbraken, wat suggereert dat dit hout specifiek voor de constructie van de waterput werd vervaardigd. Dendrochronologisch onderzoek van de planken dateert het hout op 158 of 159 n.C. Het fenomeen van speciaal gekapt hout voor de aanleg geldt overigens voor de meeste andere waterputten op de site. In de bovenste pakketten opvulling werden twee onderdelen van een tuba gevonden, boven het niveau waarin de bronzen ketel zich bevond.
TECHNISCHE ASPECTEN VAN DE TUBA UIT HARELBEKE
De tuba kwam tijdens de opgraving aan het licht als twee losse onderdelen: een trechtervormige beker (of kelk) en een aansluithuls of koppelstuk. Bij de restauratie zijn de twee stukken onjuist aan elkaar gehecht. Het geheel is daarna ook foutief als cornu geïnterpreteerd. Men dacht dat het gebogen gedeelte al in de Romeinse periode werd verwijderd en dat beide stukken aan elkaar werden bevestigd en er zo op een verkorte versie werd gespeeld. Voor deze hypothese ontbreekt echter ieder bewijs. Diverse factoren kunnen verklaren waarom slechts deze onderdelen in de waterput zijn teruggevonden.
De trechtervormige beker heeft een buitendiameter van 164 mm en een detec teerbare lengte van 247 mm met een wanddikte variërend tussen 0,8 en 1 mm. Aan de buitenzijde is een smalle, donkergekleurde lijn zichtbaar. Het is vooralsnog onduidelijk of dit een naad betreft: deze lijn aan de binnenzijde ontbreekt. Over het smalste uiteinde van de kelk bevindt zich een tweedelige bronzen ring waarvan de functie nog onduidelijk is. Het tweede element is een gegoten bronzen aansluithuls. Dit koppelstuk, 63 mm lang, met een buitendiameter van 27 mm en een wanddikte van circa 6 mm, vertoont concentrische groeves aan de buitenzijde. De huls fungeerde als koppelstuk om twee metalen buissegmenten bij elkaar te houden.
Een diepgaande metallurgische analyse van de Harelbeekse tuba is tot op heden niet uitgevoerd maar zou beslist een meerwaarde aan technische informatie over dit unieke object bieden. Uit de bewaringstoestand en patina blijkt duidelijk dat het hier een koperlegering betreft. Het stuk wordt voorlopig als vervaardigd uit brons omschreven.
Romeinse bronnen vermelden tubae inderdaad als bronzen instrumenten, maar analyses van bewaarde exemplaren tonen variatie in samenstelling. Het kopergehalte blijft dominant, terwijl de percentages aan tin, lood en zink per exemplaar en zelfs per onderdeel verschillen. Lood faciliteerde de buiging van het metaal, zink verhoogde de stevigheid en corrosieresistentie. Sommige tubae kregen een dun laagje tin, een metallurgisch proces waarvan Plinius de Oudere (23/24 – 79 n. C.) de ontdekking toewijst aan de Galliërs.16 De Romeinen pasten deze techniek vaak toe op bronzen vaatwerk en mantelspelden. De extra deklaag met de zilverachtige glans van tin beschermde niet alleen het onderliggende metaal tegen corrosie, het object kreeg ook een subtiele esthetische dimensie.
Opbouw van een Romeinse tuba
Fasering van de restauratie van de tuba. (Bron: R. G. Van Mousch e.a., Hoorngeschal op een driesprong van wegen)
Epigrafische en literaire bronnen noemen verschillende bronzen blaasinstrumenten uit de Romeinse tijd: de G-vormige cornu, de rechte tuba, de gebogen bucina en de haakvormige lituus. De fysieke differentiatie tussen cornu en tuba is heel helder, maar de ambigue woordenschat in antieke, literaire en epigrafische teksten over het onderscheid tussen cornu en bucina zorgt al decennialang voor een verhit discours onder wetenschappers.
De cornu en, in mindere mate de tuba, danken hun bekendheid bij het grote publiek vooral aan de optredens van re-enactmentgroepen als Romeinse militairen waarin ook reconstructies van dergelijke instrumenten worden gemaakt en bespeeld. De cornu was vervaardigd uit een meer dan 3 m lange bronzen buis in de vorm van de letter G met een centrale, rechte en soms versierde houten of metalen stang. Daardoor was het instrument gemakkelijk op de schouder te dragen. De uitgesproken lengte van de luchtkolom verhoogde het harmonische vermogen en resonantie van de cornu.
In tegenstelling tot de cornu presenteert de tuba zich als een lange metalen cilindrische buis die geleidelijk overgaat in een wijd uitlopende beker. Analyse van de heel zeldzame volledig bewaarde exemplaren onthult dat de fysieke opbouw van de Romeinse tuba uit meerdere demonteerbare segmenten bestond. Het instrument is samengesteld uit een afwisseling van gegoten componenten – zoals het mondstuk en de aansluithulzen – en gladde, gehamerde bronzen cilinders, met als afsluiting een trechtervormige beker. De licht conische vorm van de buizen en de aansluithulzen of koppelstukken maakte het mogelijk om de afzonderlijke onderdelen naadloos in elkaar te schuiven. Dit modulaire karakter bood aanzienlijke praktische voordelen: de tuba kon eenvoudig in kleine segmenten worden getransporteerd, bijvoorbeeld in een kist of draagtas en bij schade konden specifieke onderdelen worden gerepareerd of vervangen. Bovendien kon de muzikant, dankzij de flexibele montage, elk element afzonderlijk reinigen, wat het onderhoud aanzienlijk vergemakkelijkte.
In de antieke iconografie van Romeinse tubae is het niet ongewoon om een ketting of riem te zien die met een ring rond de schacht van het instrument werd bevestigd. Deze had hoofdzakelijk een praktische, ergonomische functie. Een draagketting of -riem moest vooral de lange, rechtlijnige buis stabiliseren tijdens het blazen. Door de lengte van de tuba en het ontbreken van een schoudersteun zoals bij de cornu, zou het instrument met enkel armkracht moeilijk in balans te houden zijn geweest. De ring en ketting boden dus een fixatiepunt, waardoor de blazer de tuba dichter tegen het lichaam kon trekken en zo de ademdruk efficiënter kon richten zonder verlies van stabiliteit. Op een van de reliëfs uit de zogenoemde Medinaceli-cyclus (Afbeelding 9) is het gebruik van een ketting ter ondersteuning bij het bespelen van de tuba duidelijk te zien. Het is een zeldzame iconografische getuigenis van de speelpraktijk en bijbehorende hulpmiddelen van Romeinse blazers.
Het instrument had geen gaten, ventielen of toetsen, daarom produceerde een Romeinse tuba uitsluitend zogenaamde natuurtonen. Hiermee worden de opeenvolgende boventonen bedoeld die ontstaan door de trillingen van de luchtkolom in de metalen buis, zoals bij een jachthoorn. De tuba kon bijgevolg niet het volledige toonbereik voortbrengen zoals bij een modern blaasinstrument. De blaastechniek en ademdruk, en in het bijzonder de variatie in lipspanning van de speler, stuurden het klankspectrum. Daarnaast beïnvloedden ook de constructie van het mondstuk, het profiel, de keelopening en de boring rechtstreeks het volume en de klankkleur.
VOORLOPERS IN ANDERE CULTUREN
Hoewel het fenomeen van blaasinstrumenten samengesteld uit gescheiden, aaneengevoegde onderdelen vaak wordt geassocieerd met de Romeinse tuba, blijkt uit archeologische en iconografische bronnen dat dit modulaire concept al veel eerder in de oudheid voorkwam. Zo werden in het graf van farao Toetanchamon (ca. 1332 - 1323 v.C.) twee trompetten of shenewt (enkelvoud shenebu) aangetroffen: één vervaardigd uit zilver, de andere uit een koperlegering.22 Hoewel de Egyptische exemplaren aanzienlijk korter zijn (tussen ca. 50 en 58 cm) en technologisch eenvoudiger ogen dan hun Romeinse tegenhangers, vertoont de koperen trompet opmerkelijke gelijkenissen op vlak van vormgeving en materiaalgebruik. Vooral de aanwezigheid van een demonteerbare beker wijst op een mogelijke vorm van segmentering of structurele versterking.23 Dat principe kreeg later verfijning in de modulaire constructie van Romeinse tubae. Talrijke reliëfs van andere culturen - zoals bij de Assyriërs en de Achaemenidische Perzen - tonen rechte, metalen trompetten die morfologisch vergelijkbaar zijn met Egyptische en Romeinse types. Tot op vandaag zijn echter - met uitzondering van één solide bronzen buistrompet uit Persepolis (Iran) - geen fysieke exemplaren aan het licht gekomen. Vragen over hun constructie – en in het bijzonder over een eventuele modulaire opbouw – blijven zo goed als onbeantwoord doordat voldoende tastbaar materiaal ontbreekt.
Een directe voorloper van de Romeinse tuba is zonder twijfel de Oud-Griekse en Hellenistische salpinx (σάλπιγξ). Beide instrumenten vertonen een gelijkaardige, langgerekte vorm en hadden wellicht een soortgelijke rol als militair signaalinstrument en ceremonieel attribuut. Net als de tuba bestond de salpinx uit meerdere segmenten zoals een lange buis, een mondstuk en een klankbeker. Archeologische vondsten tonen bovendien dat sommige exemplaren uit een combinatie van materialen vervaardigd waren, zoals een mondstuk in been of ivoor, gecombineerd met een metalen (vaak koperen) buisconstructie.25
HISTORISCHE BRONNEN EN ICONOGRAFIE
In de afgelopen twee decennia is de weten schappelijke kennis over Romeinse tubae behoorlijk toegenomen en verdiept, mede dankzij nieuw onderzoek van bestaande gegevens en recente archeologische ontdekkingen. De huidige inzichten met betrekking tot tubae berusten op drie pijlers. Allereerst verwijzen literaire teksten van antieke auteurs, evenals inscripties op onder meer grafstèles en votiefaltaren, naar tubae en tubablazers of tubicines. Daarnaast vormt de eigentijdse iconografie een essentiële informatiebron: afbeeldingen zijn terug te vinden op reliëfs, mozaïeken, wandschilderingen, munten en aardewerk. Tenslotte speelt de archeologie een cruciale rol als derde pijler in het onderzoek naar deze metalen instrumenten.
Geschreven bronnen: In de historiografische werken van auteurs als Livius, Polybios, Tacitus en Vegetius worden cornua occasioneel vermeld, doorgaans in de context van militaire confrontaties en triomftochten van zegevierende generaals. De tubicines of trompetspelers krijgen echter wel veel vermeldingen in historische bronnen. Deze komen verderop in dit artikel uitgebreider aan bod.
Iconografie: Binnen het epigrafische domein omvatten de inscripties niet alleen de namen van tubicines, maar tonen sommige grafstèles ook afbeeldingen van de muzikanten met hun instrument.26 Van de niet minder dan 311 bewaarde inscripties van muzikanten uit het Hoge Keizerrijk gaan er 124 over tubicines. Daarmee vormen zij de meest frequent voorkomende categorie van blazers binnen dit corpus van bewaarde inscripties.27 Opvallend is dat de tuba op deze grafstèles zelden in haar geheel wordt afgebeeld. De visuele nadruk ligt voornamelijk op de meest kenmerkende onderdelen van het instrument, namelijk het mondstuk en de klankbeker (Afbeelding 10, Afbeelding 11). Opmerkelijk is verder dat de tuba op bepaalde reliëfs niet in haar werkelijke lengte of proporties wordt weergegeven. In deze gevallen is er een bewuste artistieke ingreep: de steenkapper reduceerde de afmetingen van het instrument om compositorische redenen.28 De volledige lengte van de tuba liet zich moeilijk integreren op het kleine beeldveld of in de vaak drukbevolkte scènes waarin meerdere figuren en voorwerpen visueel met elkaar in balans moesten komen. Om de leesbaarheid en compositie van het geheel te behouden, koos men er daarom geregeld voor het instrument in verkorte vorm af te beelden.
Antiek beeldmateriaal van bronzen tubae levert waardevolle aanwijzingen over de contexten waarin deze blaasinstrumenten functioneerden. Op reliëfs, schilderingen en mozaïeken verschijnen tuba-spelers sporadisch in processies, zowel in religieuze offerstoeten als in militaire triomftochten (Afbeelding 12). Daar begeleidden zij niet alleen de plechtigheid muzikaal, maar droegen zij ook bij aan de visuele en auditieve representatie van orde en macht. Het reliëfprogramma op bijvoorbeeld de zuil van Trajanus en op de (verdwenen) triomfboog van Marcus Aurelius in Rome tonen de tuba als integraal onderdeel van overwinningsscènes. Het instrument staat er symbool voor macht en keizerlijke autoriteit (Afbeelding 13).29 Ook buiten het militaire en religieuze domein is het gebruik van de tuba – en van koperblazers in het algemeen - zichtbaar: in de arena markeerden haar klanken gladiatorenspelen in het amfitheater en paardenrennen in het circus. Bepaalde grafmonumenten suggereren dat de tuba ook in funeraire rituelen een rol als begeleiding van de overgang naar het hiernamaals had. Het visuele repertoire is dus niet enkel illustratief, het vormt een essentiële bron voor de interpretatie van de veelzijdige rol van de tuba als signaalinstrument én als ritueel en symbolisch geladen object.
ARCHEOLOGISCHE VONDSTEN
Naast literaire teksten, inscripties en reliëfs spelen archeologische vondsten een belangrijke rol om onze kennis over Romeinse tubae te verdiepen. Geschreven bronnen en afbeeldingen bieden inzicht in de functionele en symbolische betekenis van de tuba. Vooral de materiële resten leveren hiervoor het onmisbare fysieke bewijs, ze vormen het schakelpunt tussen alle andere bronnen. Precies deze wisselwerking tussen meerdere disciplines maakt de concrete studie van deze instrumenten mogelijk. Tot op heden zijn slechts drie volledige Romeinse tubae bekend: die van Saint-Just-sur-Dive, Neuvy-en-Sullias en Bavay. Het zijn zeldzame exemplaren die unieke sleutelstukken vormen binnen het corpus van Romeinse muziekinstrumenten.
De gedemonteerde tuba van Saint-Just-sur-Dive. (© Château-Musée de Saumur, foto: Gérald Angibaud)
Saint-Just-sur-Dive: De oudste genoteerde vondst van een Romeinse tuba gaat terug tot 1823. Nabij het dorpje Saint-Just-sur-Dive (departement Maine-et-Loire, Frankrijk) kwamen bij grondwerken restanten van een houten kist aan het licht. Daarin bevonden zich onderdelen van een bronzen tuba samen met tientallen ijzeren gebruiksvoorwerpen van een houtbewerker of smid (Afbeelding 14). Door enkele bijbehorende munten weten we dat dit ensemble wellicht in de laat-Romeinse tijd in de bodem weggeborgen werd. Als gevolg van eerdere foutieve restauraties en reconstructies blijft de oorspronkelijke afmeting van de Romeinse tuba van Saint-Just-sur-Dive onderwerp van discussie. In de huidige stand van het onderzoek wordt de lengte van de bronzen trompet op ca 175 cm geraamd.31 In de nabijheid van de vindplaats, op de samenvloeiing van de rivier la Thouet met de kleinere stroom la Dive, zou zich een Gallo-Romeins heiligdom bevonden hebben.32 De parallel met de vondst in Harelbeke is hier onmiskenbaar.
Neuvy-en-Sullias: De in 1861 ontdekte tuba uit Neuvy-en-Sullias maakte deel uit van een spectaculaire schatvondst samengesteld uit minstens 33 bronzen votiefobjecten. Hierbij waren een twintigtal beelden van mensen, goden en dieren heel opmerkelijk. Dit indrukwekkende ensemble kwam samen met een nog een drietal stukken bronzen vaatwerk tijdens zandwinningen aan het licht in de nabijheid van een Gallo-Romeins heiligdom op de linkeroever van de Loire.35 Volledig gemonteerd had de gerestaureerde trompet een totale lengte van ongeveer 190 cm. De Romeinse tuba van Neuvy-en-Sullias is overigens uniek binnen de antieke instrumentenwereld: dit is de enige gekende tuba die een ingeponste inscriptie draagt. De ontcijfering van de epigrafische tekens op één van de gegoten koppelstukken blijft ambivalent. Dat bemoeilijkt de inhoudelijke interpretatie van de tekst. Het lijkt echter niet uitgesloten dat de tekst naar een militaire eenheid verwijst.
Bavay: De dienst archeologie en erfgoed van het Franse departement Nord voerde van mei 2020 tot november 2021 een archeologisch onderzoek uit in het westelijke deel van het Romeinse forum van Bavay voorafgaand aan de gedeeltelijke overkapping van de monumentale resten. Op 21 april 2021 ontdekten archeologen onder een stapel blokken Doornikse kalksteen een goed bewaarde, bronzen tuba. Het gedemonteerde instrument lag zorgvuldig gepositioneerd in de holte onder de stenen. De stenen constructie vormde oorspronkelijk de basis van een monument dat ergens in de laat-Romeinse tijd (vermoedelijk tussen c. 250 en 400 n. C.) gebouwd werd. Op dat ogenblik maakte het forum van Bavay deel uit van een militaire vesting of castellum. De lengte van de tuba bedraagt minimaal 233 cm tot maximaal 294 cm. Het gewicht is, in de huidige staat van bewaring, 1540 g.
Opgraving van de bronzen tuba op het antieke forum van Bavay in 2021. (© Service archéologie et patrimoine du Département du Nord)Niederösterreich)
Overige fragmenten: Naast deze drie volledige exemplaren zijn ook op verschillende andere locaties kleinere onderdelen van tubae gevonden. Mondstukken werden onder meer in Le Mans, Bavay en Bliesbruck geïdentificeerd, koppelstukken in Brie-Comte-Robert en Alésia. Deze fragmentarische vondsten, hoewel minder spectaculair, zijn van grote waarde voor het aanvullen om het instrument technische en functionele te begrijpen. Ze wijzen op een bredere verspreiding van Gallo-Romeinse bronzen trompetten dan louter door de volledige exemplaren kon afgeleid worden. Tenslotte houdt men bij de studie van bronzen blaasinstrumenten rekening met het feit dat in tal van archeologische depotcollecties ongetwijfeld nog onontdekte of foutief geïdentificeerde onderdelen van tubae aanwezig kunnen zijn. Het gebeurt niet zelden dat buisfragmenten of koppelstukken in een koperlegering gecatalogeerd staan als onderdelen van bijvoorbeeld meubilair. Het potentieel van dit archeologische materiaal blijft dus onbenut. Een herziening van bestaande collecties met aandacht voor de specifieke kenmerken van Romeinse blaasinstrumenten kan daarom nieuwe inzichten opleveren en het corpus verder uitbreiden.
TUBAE IN HET ROMEINSE LEGER
Op het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw publiceerde de rijksambtenaar Publius Vegetius Renatus een traktaat over Romeinse oorlogsvoering met als titel Epitoma rei militaris. In één van de hoofdstukken verwijst hij nadrukkelijk naar de drie voornaamste instrumenten die een Romeinse soldaat in zijn legerplaats en op het slagveld te horen kreeg: de tuba, de cornu en de bucina.
Dit trio van blaasinstrumenten speelde een cruciale rol binnen het Romeinse leger, zowel bij infanterie en ruiterij als bij de vloot. De schelle, duidelijk hoorbare klanken van metalen trompetten en hoornen ondersteunden de communicatie over een grote afstand, niet enkel tijdens de dril of bij het manoeuvreren van troepen maar ook op het strijdtoneel zelf. Het waren vooral auditieve seinmiddelen, om met gecodeerde klanken bevelen kenbaar te maken. Binnen de uitgestrekte legerkampen structureerden trompetklanken het dagritme: opstaan, eten, oefenen, waken, aantreden in het gelid en optrekken in formatie.
In tegenstelling tot het schrikaanjagende effect van trompetten en trommels bij sommige tegenstanders hadden de Romeinse blaasinstrumenten tijdens de gevechten eerder een sturende en tactische functie. Boven het vaak oorverdovende tumult van een veldslag herkenden Romeinse soldaten de luide en doordringende trompetsignalen om aan te vallen, zich te terug te trekken of te hergroeperen. De dichter Quintus Ennius (239 – 169 v. C.) verwoordde dit op een treffende manier: At tuba terribili sonitu taratantara dixit. Het woord “taratantara” is hierbij bedoeld als onomatopee, als nabootsing van de tuba-klanken. Er was ook sprake van een soort taakverdeling: op het terrein zelf stonden de cornu-blazers (cornicen) vooral in auditief contact met de standaarddragers (signiferi), terwijl de tubicines met de hele groep communiceerden.
De inname van belegerde steden en vestingen bleek ook een aangelegenheid waar trompetten of bazuinen weerklonken. De laat-Romeinse grammaticus Servius schreef een commentaar op de Aeneïs van Vergilius. Daarin verwijst hij naar het trompetgeschal (clangorque tubarum) tijdens de val van Troje als plerumque enim ad tubam evertuntur civitates… Volledige en exacte cijfergegevens uit de Oudheid zijn niet meer beschikbaar, maar op basis van bestaande databanken van (vooral funeraire) inscripties van militaire muzikanten veronderstellen onderzoekers dat elk keizerlijk legioen gemiddeld een 90-tal muzikanten in zijn rangen telde.45 De twee meest dominante groepen, tubicines en cornicines, bleken onderling variabel in aantallen met doorgaans een licht overwicht van tubicines. Binnen het Romeinse landleger vormden bucinatores een kleine minderheid, meestal beperkt tot ongeveer vijftien per legioen. In de maritieme eenheden hadden zij blijkbaar een dominante rol.
TUBAE IN CIVIELE CONTEXT
In literaire bronnen wordt het gebruik van de tuba bij uitvaarten aangehaald. Zo vermeldt Horatius (65 - 8 v. C.) in zijn Satiren het treurige geluid van de tuba tijdens een begrafenisstoet. Daarmee roept hij niet alleen het sonore karakter van het instrument op, maar onderstreept hij ook de ceremoniële rol binnen een funeraire omgeving. Ook de stoïcijnse dichter Persius (34 - 62 n. C.) verwijst naar de tuba in combinatie met kaarsen als onderdeel van de uitvaartceremonie. Naast de tuba maakte onder andere ook de cornu expliciet deel uit van de muzikale begeleiding van een Romeinse begrafenisstoet. De plechtige sfeer van de treurende processie werd zo extra benadrukt. Bij begrafenissen van mensen die het zich konden veroorloven was het gebruikelijk dat veel trompetblazers aanwezig waren. Seneca (ca 4 v. C. – 65 n. C.) beschrijft in zijn Apokolokyntosis de satirische begrafenis van keizer Claudius als volgt: tubicinum, cornicinum, omnis generis aenatorum tanta turba, tantus concentus, ut etiam Claudius audire posset, omnes laeti, hilares. … Merkwaardig genoeg ontbreekt het in de iconografie van Romeinse begrafenisstoeten echter aan visuele representaties van tubicines. In plaats daarvan zijn tibiae- en lituus-spelersdominant aanwezig: een fraaie illustratie hiervan vormt het beroemde reliëf uit Amiternum Naast hun funeraire rol werden tubae ook ingezet bij andere civiele plechtigheden.
In de context van gladiatorenspelen en paardenrennen weerklonk het instrument om het begin van de spelen of de aankomst van belangrijke deelnemers aan te kondigen. Bij paardenrennen in het circus lijkt de tuba vooral te zijn gebruikt in officiële contexten: fanfares van koperblazers markeerden belangrijke momenten zoals het begin of einde van de wedstrijd, de prijsuitreiking of andere rituelen van erkenning. Ook bij religieuze festiviteiten, zoals processies ter ere van een godheid of offers in een tempel, kon de sonore klank van de tuba dienen om de plechtigheid luister bij te zetten. In dergelijke omstandigheden fungeerde de tuba niet enkel als muziekinstrument, maar ook als akoestisch symbool van autoriteit en plechtstatigheid.
WIE WAREN DE MUZIKANTEN?
Militair
Tubicines in vaste militaire dienst – tubicines legionis - worden in epigrafische bronnen en militaire handboeken vaker genoemd dan andere blazers. Dat wijst wellicht op hun numerieke en functionele gewicht. Binnen de hiërarchie van legermusici bekleedden zij een hogere positie, al bleef het een rang binnen de lagere segmenten van de militaire commandostructuur. Net als andere muzikanten behoorden de tuba-spelers tot de zogenoemde immunes van het Romeinse leger: soldaten die waren vrijgesteld van de gebruikelijke arbeidsplichten zoals wachtdiensten, het opbouwen van kampen en het dragen van bagage.
Uit epigrafisch materiaal blijkt dat militaire musici, en bijgevolg ook tubaspelers, een vorm van verenigingsleven kenden. De aanwezigheid van collegia van tubicines is daarbij in hoge mate gedocumenteerd. De inscripties uit Lambaesis zijn daarbij de meest informatieve voorbeelden.57 In deze Noord-Afrikaanse legerplaats van Legio III Augusta zijn meerdere inscripties aangetroffen die melding maken van het collegium tubicinum. Dergelijke genootschappen functioneerden als beroepsgroepen van militaire signaalblazers. Het waren formeel erkende verenigingen met een interne hiërarchie, zoals blijkt uit vermeldingen van magistri en andere bestuursfuncties. De leden onderhielden hun eigen collegiale tradities waaronder het gezamenlijk bekostigen van inscripties en gedenktekens. Dat wijst op een sterke interne solidariteit en groepsidentiteit.
Zoals eerder in dit artikel vermeld, bestond de primaire taak van de tubicines in het leger uit het geven van akoestische signalen die cruciaal waren voor de coördinatie van militaire manoeuvres, marsen en veldslagen. Daarnaast speelden zij een rol bij ceremoniële gelegenheden, zoals parades, eedafleggingen en begrafenissen van hooggeplaatste officieren. De inscripties uit Lambaesis impliceren dat deze muzikanten, ondanks hun operationele functie, ook deelnamen aan het rituele en sociale leven van de militaire gemeenschap. Hun opname in formele collegia verleende hen een status die uitstak boven die van gewone legionairs en versterkte hun erkenning als een onmisbaar onderdeel van het Romeinse militaire apparaat.58
Civiel
Buiten het leger wordt het beeld diffuser. In de stad is de tubicen een meer ambigu personage: soms is hij geïntegreerd in het stedelijke apparaat met een nagenoeg officiële rol, soms is hij slechts één van vele lage beroepsmusici zonder bijzondere status. Ze werkten in uiteenlopende contexten: publieke ceremonies en feesten, processies, maar ook privéopdrachten zoals begrafenissen. Uit epigrafische en literaire bronnen blijkt dat zij, ondanks hun vaak publieke optreden, doorgaans een relatief lage maatschappelijke positie innamen. Muzikanten die in stedelijke rituelen of culten optraden stonden vaak in dienst van de lokale overheid. Dit kon verschillende juridische en sociale vormen krijgen: sommigen waren publieke slaven, anderen vrijgelatenen van de stad, weer anderen zelfstandige beroepsmusici. Hun status varieerde sterk per plaats en periode. In sommige steden zijn tubicines duidelijk geïntegreerd in het stedelijke ceremoniële leven, terwijl elders hun aanwezigheid minder zichtbaar of helemaal afwezig is. Het epigrafische materiaal belicht vooral de institutionele verankering van de tubicines, maar geeft weinig inzicht in hun daadwerkelijke economische positie of dagelijkse levensstandaard.
Muzikanten werden in de Romeinse samenleving beschouwd als ambachtslieden die zich – net als in het leger - organiseerden in beroepsverenigingen of collegia. In tal van steden waren zogenaamde collegia aenatorum actief: verenigingen van koperblazers die bestonden uit een verscheidenheid van muzikanten met dergelijke instrumenten. Ze boden niet alleen een sociaal netwerk en economische bescherming, maar ook een zekere institutionele erkenning. Voor sommige tubicines kon langdurige dienst in prestigieuze collegia leiden tot een zekere reputatie en, in zeldzame gevallen, tot lokale bekendheid. Dit bezorgde hen symbolische erkenning en soms materiële voordelen zoals vrijstelling van bepaalde belastingen of toegang tot stedelijke voorzieningen. Studies van epigrafische en archeologische bronnen uit het Rome van de eerste eeuw tonen aan dat er een hechte relatie bestond tussen het collegium van aenatores en de keizerlijke familie. In de omgeving van de latere Meta Sudans liet de vereniging van koperblazers uit Rome voordien een viertal grote bronzen beelden van leden van het Julio-Claudische keizershuis plaatsen. Het initiatief had niet enkel artistieke waarde, het droeg vooral een sociale en politieke dimensie. Door dit eerbetoon aan de keizerlijke familie werd het collegium erkend als een belangrijke speler in de publieke sfeer. De trompetspelers versterkten daarmee het prestige van het keizerlijke huis en onderstreepten de nauwe band tussen beroepsvereniging en dynastie. Hun rol ging dus verder dan louter muzikaal optreden: zij waren zowel uitvoerders als dragers van politiek en symbolisch gezag in het hart van Rome. Die hechte band met het keizerlijke huis leverde de koperblazers bovendien concrete voordelen op: hun opname op de lijsten voor de publieke graanverdeling, die niet voor de gehele Romeinse bevolking toegankelijk waren, kan worden beschouwd als een materieel privilege dat hun positie in de stedelijke samenleving versterkte. Een heel bijzondere groep vormden de tubicines sacrorum publici populi Romani Quiritium. Het betrof het officiële staatskorps van tubaspelers in de stad Rome. Ze stonden institutioneel los van het collegium aenatorum en fungeerden uitsluitend binnen het grondgebied van de stad Rome. Hun taken waren strikt religieus en ceremonieel van aard: zij verzorgden de muzikale begeleiding van publieke staatsrituelen (sacra publica) in naam van het Romeinse volk (quirites) zoals offerplechtigheden, religieuze processies, tempelwijdingen en militaire triomftochten met een religieus karakter (pompa triumphalis) in de Urbs zelf. Onder keizer Augustus genoten zij de status van priester (ordo sacerdotalis), maar vermoedelijk ging deze bevoorrechte positie na het bewind van keizer Claudius verloren.
SYMBOLIEK VAN ROMEINSE KOPERBLAASINSTRUMENTEN IN DE PROVINCIES
Romeinse koperblaasinstrumenten – tuba en cornu – waren dus krachtige symbolen van de macht, politieke autoriteit en culturele hegemonie van het rijk. Hun voorstelling op triomfbogen en andere monumentale bouwwerken in Gallo-Romeinse steden verwees niet alleen naar de militaire of ceremoniële muziekpraktijken, maar maakte ook deel uit van een bewust georkestreerde beeldtaal die de waarden en ideologie van de Romeinse staat uitdroeg.
Instrumenten zoals de tuba droegen ongetwijfeld een uitgesproken ideologische lading met zowel dreiging als culturele integratie. In een provinciale context, zoals in Gallië, maakten zij deel uit van een proces van herdefiniëring van politieke identiteit: door zich te omringen met symbolen van Romeinse militaire macht, presenteerden lokale elites zich als loyale dragers en uitvoerders van het imperiale gezag.
SYMBOLIEK VAN ROMEINSE KOPERBLAASINSTRUMENTEN IN ROME: HET TUBILUSTRIUM
Die symbolische lading van de Romeinse tuba beperkte zich niet tot een provinciale omgeving. In Rome zelf kwam de beladen betekenis van trompetten tot uiting in het jaarlijkse ritueel van het tubilustrium. Deze ceremonie vond tweemaal per jaar plaats, op 23 maart en 23 mei, en bestond uit een plechtige ‘reiniging’ of zegening van de tubae sacrorum: de officiële trompetten die weerklonken bij de uitvoering van publieke rituelen, bij de ceremoniële aankondiging van militaire acties en bij het samenroepen van de comitia curiata. De ‘gewone’ tubae van verschillende legereenheden onderging hierbij vermoedelijk hetzelfde ritueel, maar zeker is dit niet. De plechtigheden waren gewijd aan Mars, de Romeinse oorlogsgod. De ceremonie werd gehouden in Rome in een gebouw genaamd de Zaal van de Schoenmakers (atrium sutorium) en omvatte onder meer het offeren van een ooilam. Het ritueel had niet zozeer een praktisch, dan wel een sterk symbolisch karakter: het hernieuwde de sacraliteit van deze muziekinstrumenten en bevestigde bovendien hun rol als bemiddelaars tussen het Romeinse staatsapparaat en de goddelijke orde.
BESLUIT EN PERSPECTIEVEN NAAR VERDER ONDERZOEK
De tuba van Harelbeke in bewaring in Trezoor. (© stad Kortrijk en Kirsten Note)
De vondst van de tuba-onderdelen in Harelbeke in 2019 vormt een unieke en betekenisvolle aanvulling op het uiterst beperkte corpus van Romeinse bronzen blaasinstrumenten. Het Harelbeekse exemplaar behoort, samen met de tubae van Saint-Just-sur-Dive, Neuvy-en-Sullias en Bavay, tot een zeldzame groep instrumenten die nieuwe inzichten biedt in het antieke muziekleven en in de rol van koperblazers in publieke en ritueel-religieuze contexten binnen de Romeinse wereld. Door haar opname in een bredere vergelijking met analoge vondsten draagt de ontdekking en studie van de Harelbeekse tuba bij tot de reconstructie van het muzikale landschap van de Romeinse wereld.
Het belang van de Romeinse tuba overstijgt overigens ruimschoots de regionale context. De stukken getuigen van de circulatie van hoogwaardige en mogelijk zelfs ceremoniële objecten in de noordelijke provincies van het Imperium. Ze leveren bovendien waardevol materiaal voor de discussie over de betekenis van muziekinstrumenten met een hoge symboolwaarde binnen een ogenschijnlijk niet-militaire context in onze gewesten. In dit verband verdient de nabijheid van het Romeins heiligdom op de Kollegewijk in Harelbeke bijzondere aandacht. De daar aangetroffen concentratie van pijpaarden godenbeeldjes en andere votiefgaven suggereert een levendige cultuspraktijk in de onmiddellijke omgeving van de vindplaats van de tuba. Dat kan een louter militaire interpretatie van het instrument nuanceren of zelfs heroriënteren.
Ondanks conventionele interpretaties waarbij dergelijke instrumenten prompt als ‘militair’ worden bestempeld, kan niet worden uitgesloten dat de Harelbeekse tuba-fragmenten ook in relatie tot dit heiligdom staan. In dit licht is het niet ondenkbaar dat de tuba een ceremoniële of religieuze functie had en dat een louter militaire associatie niet automatisch aannemelijk is. Vergelijkbare gevallen van tubae zijn bekend uit Sullias-en-Neuvy en Saint-Juste-sur-Dive, die eveneens in de onmiddellijke nabijheid van Gallo-Romeinse heiligdommen zijn aangetroffen. Deze vaststellingen sluiten de hypothese van een religieus-ceremoniële toepassing van de Harelbeekse tuba binnen de Gallo-Romeinse nederzetting op de Collegewijk bijgevolg niet uit.
Tegelijk onderstreept de vondst het belang van een interdisciplinaire benadering bij de conservatie en duiding van archeologische objecten. De overhaaste interpretatie van de tubafragmenten uit Harelbeke als deel van een Romeinse cornu, evenals de ongelukkige assemblage van beide onderdelen tot één geheel, illustreren hoe vatbaar dergelijke archeologische objecten zijn voor misinterpretatie. Deze casus onderstreept de noodzaak van een kritische en contextuele benadering bij het analyseren en reconstrueren van fragmentarisch materiaal. Een zorgvuldige restauratie in een samenwerkingsverband tussen archeologen en materiaalexperts is essentieel om het volledige wetenschappelijke potentieel van dergelijke zeldzame vondsten te ontsluiten. Pas zes jaar na de vondst van de fragmenten kon, dankzij nauwgezet overleg met vakspecialisten, een correcte identificatie plaatsvinden als zijnde componenten van een bronzen tuba. De fragmenten van de Romeinse, bronzen tuba uit Harelbeke vertegenwoordigen zonder enige twijfel uitzonderlijke voorbeelden van een muzikaal, materieel erfgoed en dit niet alleen binnen een Belgische context, maar ook in een breder internationaal kader. Hun zeldzaamheid, archeologische waarde en het potentieel voor verder onderzoek maken van deze vondst een betekenisvol referentiepunt in de studie van Romeinse blaasinstrumenten en van de Romeinse cultuur in onze gewesten.
Bronnen: artikel geschreven door Johan Deschieter en Kirsten Note voor De Leiegouw